Historie

Op zondag 2 juli 1893 werd te Utrecht de Keel-, Neus- en Oorheelkundige Vereeniging opgericht door 19 oorartsen (notulen en voordracht A.A.G. Guye). Het toenmalige bestuur bestond uit 3 man: A.A.G. Guye (voorzitter), D. Doyer (ondervoorzitter) en H. Burger (secretaris).

Toen de Vereniging 40 jaar bestond in 1933 werd een gedenkboek uitgegeven dat online te raadplegen is..

De ontwikkeling van de keel-neus-oorheelkunde is stormachtig verlopen dankzij vele ontwikkelingen. De belangrijkste vindt u hieronder in min of meer chronologisch volgorde beschreven:

  • De eerste aparte docenten voor oor- en keelheelkunde worden in 1867 aangesteld; een docent neusheelkunde begint in 1888.
  • Een KNO-arts zonder goed gereedschap en goed licht kan niet werken. Belangrijke uitvindingen, zoals de voorhoofdspiegel (1841), keelspiegel (1856) en het elektrisch licht (1879), gaven de KNO-arts steeds meer mogelijkheden voor onderzoek en behandeling. Instrumenten, zoals de eerste endoscoop (kijkbuis) in 1851, de operatiemicroscoop (1953) en een boor in plaats van een beitel, brachten ongekende mogelijkheden.
  • Beeldvormende technieken, zoals de door Röntgen in 1895 ontwikkelde fototechniek, creëerden de mogelijkheid dieper in het lichaam te kijken. Tegenwoordig blijft dankzij de CT- en MRI-scan vrijwel niets meer verborgen.
  • Operatietechnieken, zoals rotsbeenoperaties (mastoïdoperaties, 1870), middenooroperaties (stapesoperaties, 1958) en neusbijholte-operaties (F.E.S.S., in de laatste decennia), hebben het vak van de KNO-arts in honderd jaar tijd wezenlijk veranderd.
  • Fraaie ‘tussenrapportages’ van KNO-Nederland worden door Prof. dr. H. Burger (1924) en Prof. dr. Eelco Huizinga (1951) geschreven in het NTvG.
  • Eerst zonder, later onder lokale verdoving (cocaïne, 1884) en nog weer later dankzij moderne narcosetechnieken zijn steeds uitgebreidere operaties mogelijk. Met name de oncologisch geschoolde KNO-artsen (subspecialisatie voor behandeling van kwaadaardige gezwellen) hebben hier profijt van.
  • Vanaf het eerste moment van oprichting van de Vereniging tot op de dag van vandaag wordt in de opleiding tot KNO-arts veel aandacht geschonken aan wetenschappelijk onderzoek. Dit vormt de basis voor een degelijke onderbouwing van de kwaliteit en doelmatigheid van onderzoek en behandeling van de patiënt met klachten op KNO-gebied in Nederland.
  • U kunt aan de hand van “Handleiding bij de studie der keel-neus-oorheelkunde” van Prof. dr. H. Burger uit 1922 goed vergelijken hoe een KNO-arts toen werd opgeleid.
  • Niet alleen hebben ontwikkelingen in het operatieve deel van het vak plaatsgevonden, maar ook zijn er vele medicijnen (antibiotica, corticosteroïd-bevattende nevels) ontwikkeld, die het vak van KNO-arts naast een chirurgisch ook een internistisch aspect geven.
  • Om het uitgebreide werkterrein van de KNO-arts recht te doen vond in 1977 een naamsverandering van de KNO-Vereniging plaats. De vereniging heet sedertdien “Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied”.
  • Was de KNO-arts in de jaren ´60 vooral bekend vanwege operaties van de keelamandelen, onder invloed van veranderde inzichten werden de indicatiestellingen bijgesteld. Het aantal keelamandeloperaties daalde in Nederland van 135.000 in 1961-1975 naar nu minder dan 30.000 per jaar.
  • Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de eerste hoorapparaten op de markt. Deze apparaten waren vooral groot. De huidige ontwikkeling van digitale hoorapparaten, computergestuurde apparaten en de miniaturisering hebben dit aspect van het vak totaal veranderd.
  • Als eerste wetenschappelijke vereniging zag de KNO-vereniging het belang van accreditatie van nascholing (bijhouden met een puntensysteem) van individuele leden. Alle andere wetenschappelijke verenigingen zijn ondertussen gevolgd.
  • Visitatie (beoordeling) van alle KNO-artsen in Nederland vindt vijfjaarlijks plaats.
  • Tweemaal per jaar is er een tweedaagse wetenschappelijke vergadering. In 2002 werd de 200ste vergadering gehouden met als aandenken een historisch overzicht van Prof.dr. E.H. Huizing in het Nederlands Tijdschrift voor KNO, dat sinds 1995 viermaal per jaar verschijnt.
  • Met behulp van standpuntnota´s wordt het beleid omtrent ziektebeelden geprotocolleerd, zodat controle en toetsing op handelen onderling kunnen plaatsvinden.

Kortom, er is in 122 jaar veel veranderd. Het werkgebied is uitgebreid. Het aantal KNO-artsen is dan ook gestegen. Het huidige bestuur telt meer leden en heeft ook veel meer te doen. Het beleid omvat het bevorderen van wetenschap en opleiding, maar ook het bewaken van kwaliteit en doelmatigheid. Daarnaast behartigt het ook de belangen van de beroepsgroep.